Verpleegkundigen
zijn dagelijks bezig met het functioneren van mensen. Ze rapporteren hun
bevindingen en dragen die over aan hun collega’s of aan hulpverleners uit
andere disciplines. Om elkaar goed te kunnen begrijpen is het van belang
dezelfde begrippen te gebruiken en die ook op de dezelfde manier te ordenen
ofwel classificeren. De International Classification
of Functioning, Disability and Health (ICF) (WHO, 2001) is een classificatie die deze mogelijkheden
biedt. Reden voor het Landelijk Centrum Verpleging & Verzorging (LCVV), de Nijmeegse groep Verplegingswetenschap en drie academische
ziekenhuizen om in een grootschalig project de bruikbaarheid van de ICF voor
verpleegkundigen te verkennen. Na twee jaar van ontwikkeling en onderzoek zijn
de resultaten nu beschikbaar. Ze worden beschreven in dit dossier actueel en in
het dossier klinisch, dat op p. 48 begint.
In het eerste artikel van het dossier actueel wordt
uiteengezet wat de ICF is en wat de meerwaarde ervan voor verpleegkundigen is.
Het tweede artikel biedt een overzicht van de tien
deelprojecten waarin de bruikbaarheid van de ICF voor de verpleegkundige
praktijk getest werd en gaat in op de implementatie en
mogelijkheden voor de toekomst.
In de twee artikelen in het klinisch
dossier worden de instrumenten beschreven die in de deelprojecten ontwikkeld
werden.
Meer informatie over het project is te vinden op de LCVV-website: www.lcvv.nl.
De ICF is te raadplegen via de WHO-website:
www.who.int/icf
In TvZ
nr. 9 van 2001 werd de opzet van het project
uitgebreid beschreven (p. 275).
Tijdschrift voor
verpleegkundigen, 2009-10
Uitkomsten van een grootschalig Nederlands project
Auteurs:
Theo van Achterberg, Carla Frederiks,
Anke Persoon, Gerda Holleman
De
International Classification of Functioning,
Disability and Health (ICF) is een classificatie die het menselijk
functioneren beschrijft. Ze lijkt daarom relevant voor verpleegkundigen, maar
tot op heden was nooit onderzocht hoe goed de ICF eigenlijk bij het werkterrein
van verpleegkundigen past. De uitdaging werd opgepakt door het LCVV en drie
academische ziekenhuizen. In tien verschillende projecten werd de bruikbaarheid
van de ICF verkend. De uitkomsten worden hier voor het eerst gepresenteerd.
Een classificatie biedt allereerst een manier om gegevens
te ordenen en terug te vinden. Een overbekende classificatie is bijvoorbeeld
die van de dierenwereld. Wie iets over de wijngaardslak wil
weten moet in de natuurencyclopedie bij de ongewervelde dieren onder weekdieren
en dan onder slakken kijken. Zonder een dergelijke onderverdeling zou de
wijngaardslak nauwelijks te vinden zijn in een brei
van duizenden vliegende, kruipende en zwemmende beestjes. Op een vergelijkbare
manier kan een classificatie ook helpen bij het ordenen van de vele gegevens
die verpleegkundigen verzamelen.
Daarnaast biedt een classificatie een standaardtaal: er
wordt met vaste termen gewerkt. Ook dit kan voordelen bieden, want als ik
vaststel dat de patiënt gespannen is, bedoel ik dan hetzelfde als mijn
collega’s die het over een angstige of gestresste
patiënt hebben? Met het gebruik van een classificatie kan dus niet alleen
een ordening in gegevens worden aangebracht, maar kan ook spraakverwarring
worden weggenomen. Zo maakt een classificatie gegevens inzichtelijker voor
gebruik in de dagelijkse praktijk, maar ook voor gebruik door managers en
onderzoekers.
Verpleegkundigen zijn vooral bekend met de NANDA-classificatie (verpleegkundige diagnoses), de NIC
(verpleegkundige interventies), NOC (zorgresultaten/evaluatie) en de ICNP
(classificatie voor de verpleegkundge praktijk).
De ICF-classificatie, die
gericht is op het menselijk functioneren, moet alleen al daarom wel relevant
voor verpleegkundigen zijn. Deze relevantie wordt nog duidelijker voor wie zich
verder verdiept in de inhoud. In de classificatie is aandacht voor
lichaamsstructuren, het functioneren van delen van het lichaam, het uitvoeren
van activiteiten, de participatie van personen in de maatschappij en relevante omgevings- en persoonsgebonden factoren. Met al deze zaken
zijn verpleegkundigen in hun dagelijkse beroepsuitoefening bezig.
Daarnaast is de classificatie niet aan één
discipline gebonden. Niet alleen verpleegkundigen, maar ook anderen zoals
artsen en paramedici, kunnen de ordening en de termen van de ICF gebruiken. Tenslotte is ook de ‘status’ van de
classificatie een overweging. De ICF is ontwikkeld onder regie van de World Health Organisation (WHO) en
kan met recht een internationale classificatie genoemd worden.
De ICF
De International Classification
of Functioning Disability and Health (ICF) (WHO, 2001) is ontworpen op initiatief van de World Health Organisation (WHO) met
als doel een standaardtaal en een structuur te bieden voor de beschrijving van
het menselijk functioneren.[noot]1,2
De ICF kan omschreven worden als een groot woordenboek
met meer dan duizend items over het menselijk
functioneren. Deze items staan echter niet op
alfabetische volgorde, maar zijn ingedeeld naar de drie verschillende
perspectieven waarin het menselijk functioneren in de ICF beschreven wordt:
functies en structuren, activiteiten, participatie. Dit leidt tot de
componenten Functies, Structuren, Activiteiten, Participatie, Externe factoren.
Later kwamen er nog de Persoonlijke factoren bij.[noot]2 Met al deze zaken zijn
verpleegkundigen in hun dagelijkse beroepsuitoefening bezig.
Als vrijwel alle classificaties kent de ICF een
zogenoemde boomstructuur waarbij elke tak uitmondt in een aantal kleinere
takken die uiteindelijk bij twijgjes eindigen. Naarmate we verder in de
classificatie komen neemt het detailniveau toe. Elk deel van de classificatie
is voorzien van een code. Deze code begint met een letter die de hoofdgroep van
de classificatie aangeeft (lichaamsfunctie, activiteit etc)
en wordt met cijfers steeds verder onderverdeeld. Ieder item
wordt in een definitie toegelicht. In de praktische toepassing kan met behulp
van een ernstschaal of qualifier per item aanvullende informatie gegeven worden. De kwaliteit van
het bewustzijn kan bijvoorbeeld worden toegelicht met ‘geen
probleem’, ‘een licht probleem’ tot en met ‘een
volledig probleem’.
Zie figuur 1 voor een overzicht van de indeling van de
ICF en een voorbeeld van de toepassing ervan.
Het project
Om de bruikbaarheid, de effecten en de
implementatiemogelijkheden van de ICF voor de verpleegkundige praktijk te
onderzoeken werd een grootschalig Nederlands project opgezet, waarin het
Landelijk Centrum Verpleging & Verzorging (LCVV), de Nijmeegse
groep Verplegingswetenschap en drie academische ziekenhuizen – UMC St. Radboud te Nijmegen, Academisch Ziekenhuis Groningen en
het AMC te Amsterdam – participeerden. De verpleegkundige toepassingen
stonden daarbij centraal, maar ook multidisciplinaire toepassingen en
toepassingen gericht op een betere continuïteit van zorg werden
meegenomen. Van de tien deelprojecten werden er vier uitgevoerd in het AZG, vier in het AMC en twee in het UMC St.
Radboud. De coördinatie was in handen van de Nijmeegse
afdeling verplegingswetenschap. Het LCVV was als projectpartner gericht op de
verdere implementatie van de ICF.
In negen deelprojecten werden instrumenten voor de
praktijk ontwikkeld. Het ging daarbij om mono- en multidisciplinaire instrumenten
voor het beoordelen van de gezondheidstoestand en het functioneren van
patiënten, voor de anamnese op de verpleegafdeling en voor
patiëntenbesprekingen. Ook werden een multidisciplinair dossier, een
klinisch pad, overdrachtsformulieren en een drietal standaardverpleegplannen
ontwikkeld. In het tiende project werden onderdelen van verpleegkundige
diagnoses (probleemformuleringen, etiologische
factoren en symptomen) aan ICF-codes gekoppeld.
Bij het ontwikkelen van de instrumenten waren circa 45 experts,
190 professionele hulpverleners en 150 patiënten betrokken. De
instrumenten werden ontwikkeld voor en gebruikt op 35 verschillende afdelingen
of poliklinieken. De evaluatie van de bruikbaarheid van de ICF was mogelijk
doordat gegevens van zo’n 40 experts, 300
professionals en 450 patiënten werden verkregen. Experts en hulpverleners
werden schriftelijk of mondeling ondervraagd. De gegevens van patiënten
werden zowel door bevraging als door analyse van
ingevulde instrumenten of dossiers verkregen.
Het project werd mogelijk gemaakt door het College voor
Zorgverzekeraars (CVZ), dat 50 procent van de kosten droeg. De resterende
kosten werden gedragen door de partners in het project.
Ieder van de tien deelprojecten vormde op zich een
afgerond geheel waarover apart werd gerapporteerd (zie tabel
op p. ).
De resultaten van de tien deelprojecten tezamen werden
geanalyseerd om conclusies over de bruikbaarheid van de ICF mogelijk te maken.
Bruikbaarheid
van de ICF
De ontwikkelaars en gebruikers van de instrumenten -
vooral verpleegkundigen, maar ook artsen, fysiotherapeuten, maatschappelijk werkenden en psychologen - vonden de ICF zonder
uitzondering bruikbaar voor de verpleegkundige en multidisciplinaire
patiëntenzorg. In alle gevallen is de ontwikkeling van instrumenten op
basis van de ICF geslaagd. Ook in het deelproject waarin onderdelen van
verpleegkundige diagnoses aan ICF-codes werden
gekoppeld lukte dit voor vrijwel alle probleemformuleringen, etiologische factoren en symptomen. De betrokkenen vonden
verder dat het gebruik van de ICF bijdroeg aan een meer compleet beeld van de
patiënt. Deze compleetheid ontstond vooral doordat bij gebruik van de ICF
de hulpverlener wordt aangemoedigd om verder te kijken en door te vragen. Dat
betekent bijvoorbeeld dat niet alleen wordt vastgesteld dat de patiënt een
pijnlijke knie heeft, maar dat direct wordt doorgevraagd naar de beperkingen in
activiteiten en maatschappelijke participatie die dit voor de patiënt
oplevert.
De relevantie en bruikbaarheid wordt dus overwegend zeer
positief beoordeeld. Natuurlijk zijn er ook kanttekeningen. Zo wordt de
classificatie bij een eerste kennismaking vaak abstract en complex gevonden. De
ICF leest als een telefoonboek vol codes. Het selecteren en bundelen van
relevante onderdelen tot instrumenten voor de praktijk is dan ook echt nodig.
De ontwikkelde instrumenten worden door experts, ontwikkelaars en gebruikers
goed geëvalueerd. Hierbij wordt door sommigen wel opgemerkt dat de
ontwikkeling een tijdrovende zaak kan zijn.
In een enkel geval is bij de ontwikkeling van
instrumenten afgeweken van de taal van de classificatie, omdat een term
ongebruikelijk of onduidelijk werd gevonden. Zo was een term als ‘bereik
van stemmingen’ binnen het onderdeel ‘mentale functies’ voor
veel betrokkenen niet bruikbaar. Ook werd de classificatie soms incompleet
gevonden. Met de huidige qualifiers
van de ICF is het bijvoorbeeld niet mogelijk om aan te geven dat iets een
nog niet bestaand, maar potentieel probleem is en kunnen wondkenmerken niet
gedetailleerd beschreven worden. Daar staat tegenover dat de ICF de
ruimte biedt om zelf relevante items en qualifiers toe te voegen. In een enkel geval is er
twijfel op welke plaats een bepaald gegeven in de classificatie geplaatst moet
worden. Zo zou men een ulcus cruris
kunnen benaderen als een aangetaste huidstructuur (onder te brengen in het ICF-onderdeel Lichaamsstructuren), maar ook als een
verstoord functioneren van de huid (onder te brengen in het ICF-onderdeel
Lichaamsfuncties).
Gebruikte onderdelen
In de ontwikkelde instrumenten werden alle vijf
hoofdcategorieën van de ICF en vrijwel alle categorieën op het
tweede, iets gedetailleerder niveau gebruikt (zie tabel 1). Van de acht
categorieën op het tweede niveau onder Lichaamsstructuren werden er slechts
twee gebruikt. Ook op het nog meer gedetailleerde derde en vierde niveau werden
de categorieën onder Lichaamsstructuren minder vaak gebruikt. Ze waren
vooral nodig in gevallen waar het ging om een stoma (structuur van het
spijsverteringsstelsel) of snijwond (structuur van de
huid). Verpleegkundigen lijken minder bezig met de structuur dan met het
functioneren van lichaamsdelen –iets wat vanuit de verpleegkundige
invalshoek niet verwonderlijk is. Categorieën onder Activiteiten en
Lichaamsfuncties werden dan ook vaak gebruikt. Dat de onderdelen Participatie
en Omgevingsfactoren iets minder aan bod kwamen is waarschijnlijk te verklaren
door de ‘ziekenhuisfocus’ van het project. Het ging in de
deelprojecten vooral om opgenomen patiënten, die zich tijdelijk niet in
hun eigen omgeving en sociale netwerk bevonden.
Categorieën op het vierde en het vijfde niveau (niet
in de tabel weergegeven) werden weinig gebruikt. De graad van detaillering van
de categorieën op het derde niveau lijkt voor de in het project ontwikkelde
instrumenten voldoende.
Effecten
De effecten van het werken met de ICF-instrumenten
werden niet objectief getoetst, maar het bevragen van
alle deelnemers en het analyseren van gebruikte instrumenten en dossiers
leverde wel een indruk van de ervaren effecten op. Verpleegkundigen en andere
gebruikers vonden dat bij toepassing van de ICF-instrumenten
een meer compleet beeld van de patiënten ontstond. Verder werd het
taalgebruik van hulpverleners werkelijk eenduidiger
en vond men het ICF-gebruik drempelverlagend voor
multidisciplinaire samenwerking. Wel werd vastgesteld dat de effecten soms
beperkt waren tot het bereik van de instrumenten. Wanneer bijvoorbeeld een ICF-anamnese werd ontwikkeld leverde dit wel eenduidig taalgebruik op voor de anamnese, maar dat
betekende niet altijd dat deze eenduidigheid ook werd volgehouden binnen andere
onderdelen van het dossier. In het deelproject rond standaardverpleegplannen
lukte dit wel: gebruik van de standaardverpleegplannen
die met behulp van de ICF werden ontwikkeld leidde ook tot een meer eenduidige
rapportage.
Conclusies
De ICF is bruikbaar voor de verpleegkundige beroepsgroep.
Ook multidisciplinaire toepassingen, bijvoorbeeld een multidisciplinair
dossier, zijn goed mogelijk. De ICF-classificatie
sluit goed aan bij het domein van de verpleging en leidt bij gebruik dikwijls
tot een meer volledig beeld van patiënten. De ICF is echter geen amazing discovery:
ze bevat op onderdelen nog onduidelijkheden en in enkele gevallen worden
relevante verpleegkundige items nog gemist. Dit neemt
niet weg dat ook nu al het ontwikkelen van praktijkinstrumenten zoals
anamneselijsten, overdrachtformulieren of multidisciplinaire dossiers op basis
van de ICF zeer goed mogelijk is. Deze ontwikkeling
kan tijdrovend zijn, maar draagt wel bij aan eenduidiger
taalgebruik en een beter beeld van het functioneren van patiënten.
De tekortkomingen in de huidige ICF zijn voor een
belangrijk deel terug te voeren op de geringe betrokkenheid van
verpleegkundigen bij de ontwikkeling van de classificatie. Wanneer
verpleegkundigen hierin actiever worden kan de classificatie voor het gebruik
in de verpleegkundige praktijk verder verbeterd worden. De resultaten van dit
project worden daarom naar de WHO teruggekoppeld. Tenslotte
moet opgemerkt worden dat een breed werkterrein als dat van verpleegkundigen
met tien deelprojecten niet afdoende bestreken wordt. Voor een breder gebruik
van de classificatie moeten veel meer instrumenten ontwikkeld worden dan in dit
project mogelijk was. De daarvoor vereiste inspanningen lijken echter meer dan
de moeite waard, want bij incomplete, multi-interpretabele, onoverzichtelijke
en voor anderen niet te volgen gegevens heeft in de verpleging niemand baat.
Nawoord
Alle auteurs zijn verbonden aan het UMC St. Radboud te Nijmegen, Theo van Achterberg als hoogleraar
verplegingswetenschap, Carla Frederiks
als emeritus hoogleraar verplegingswetenschap, Anke Persoon als
projectmedewerker van de afdeling verplegingswetenschap en Gerda Holleman als
projectmedewerker bij de Staf Zorg.
Literatuur
RIVM. ICIDH-2,
Internationale Classificatie van het menselijk
Functioneren. Beta-2 draft for
field trials. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven,
1999.
WHO. ICF, International
Classification of Functioning, Disability and Health. World Health Organization, Geneva,
2001.
Figuur
1. Overzicht van de ICF (conceptversie)
Hoofdstuk 1: Mentale
functies
Hoofdstuk 2: Sensorische
functies
Hoofdstuk 3:
………
…………
Hoofdstuk 8: Functies
van de huid en verwante structuren
Hoofdstuk 1: Anatomische
eigenschappen van zenuwstelsel
Hoofdstuk 2: Anatomische
eigenschappen van ………
……………
Hoofdstuk 8: Anatomische
eigenschappen van huid en verwante structuren
Hoofdstuk 1: Activiteiten
in het kader van leren en toepassen van kennis
Hoofdstuk 2:
Communicatieactiviteiten
Hoofdstuk 3:
Bewegingsactiviteiten
Hoofdstuk 4:
Activiteiten in het kader van zich voortbewegen
Hoofdstuk 5:
Activiteiten in het kader van zelfverzorging
* a510
Activiteiten in het kader van zichzelf wassen en afdrogen
- a5100 Wassen van
afzonderlijke delen van het lichaam
- a5101 Baden van het
gehele lichaam
-
a510………
…………….
- a5109
Niet-gespecificeerde activiteiten in het kader van zichzelf wassen en afdrogen
* a520
Activiteiten in het kader van verzorgen van delen van het lichaam
…………….
* a530
Activiteiten in het kader ………
……………
* a599
Niet-gespecificeerde activiteiten in het kader van zelfverzorging
Hoofdstuk 6: Activiteiten
in het kader van huishouden en gezin
Hoofdstuk7: Interpersoonlijke activiteiten
Hoofdstuk 8: Taken en
belangrijke activiteiten uitvoeren
Hoofdstuk 1:
Participatie in eigen verzorging
Hoofdstuk 2:
Participatie in mobiliteit
Hoofdstuk 3:
Participatie in uitwisseling van informatie
Hoofdstuk 4:
Participatie in ………
………….
Hoofdstuk 9:
Participatie in maatschappelijk, sociaal en burgerlijk leven
Hoofdstuk 1: Producten
en technologie
Hoofdstuk 2: Natuurlijke
omgeving en door de mens aangebrachte veranderingen daarin
Hoofdstuk 3:
……...
…………..
Hoofdstuk 6: Stelsels en
beleid
Bron: RIVM, 1999
De code a5101.2 staat voor
een activiteit (a) in de categorie zelfzorg (a5). In dit geval het baden/wassen
van het lichaam (a510), meer specifiek betreft het het
baden/wassen van het gehele lichaam (a5101). De code ‘2’ achter de
decimale punt is een zogenaamde ‘qualifier’
die iets aangeeft over de aard of omvang van het probleem. Hier betekent
‘2’ dat de activiteit een matig probleem is voor de persoon in
kwestie.
Tabel
1. Gebruikte onderdelen van de ICF
|
|
Categorieën 2e
niveau |
Categorieën 3e niveau |
Categorieën 4e
niveau |
|
Lichaamsstructuren |
2 van de 8 |
13% |
1% |
|
Lichaamsfuncties |
8 van de 8 |
54% |
9% |
|
Activiteiten |
8 van de 8 |
46% |
3% |
|
Participatie |
9 van de 9 |
38% |
4% |
|
Omgevingsfactoren |
6 van de 6 |
33% |
4% |
Noten
1 De ICF beschrijft géén ziekten, daarvoor
is de ‘zusterclassificatie’ International Classification
of Diseases (ICD), ook een classificatie van de WHO, te gebruiken.
2 De classificatie werd voor het eerst gepubliceerd in
1980, toen nog onder de naam International Classification
of Impairments, Disabilities
and Handicaps (ICIDH). Vanaf 1993 is gewerkt aan
een nieuwe versie die in 2001 met de nieuwe naam International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF) het licht zag.
Bij de start van het project Toepassingsmogelijkheden
van de ICF was de definitieve versie van de ICF nog niet beschikbaar.
Daarom werd gewerkt met een conceptversie (ICIDH beta-2 draft).
Het onderdeel Persoonlijke factoren was nog geen deel van de conceptversie,
maar is wel opgenomen in de definitieve versie. In het project is de
bruikbaarheid van dit deel dan ook niet meegenomen. Omdat de factoren in dit
deel beperkt in aantal en vrij voor de hand liggend zijn (leeftijd, geslacht etc) is dit een kleine wijziging. Een tweede verschil
betreft de onderdelen Activiteiten en Participatie. In de definitieve ICF zijn
deze delen te combineren tot één lijst. Omdat daarbij nog wel
onderscheid kan worden gemaakt tussen activiteiten en participatie, is dit
verschil eerder cosmetisch dan betekenisvol.
Tijdschrift voor
verpleegkundigen, 2009-10
Toepassing in de praktijk
auteurs: Ype van der Brug, Theo
van Achterberg, Yvonne Heijnen-Kaales, Maarten van
Kleef
Daadkracht
wordt sinds kort in de politieke arena gepresenteerd als een nieuw concept,
maar voor verpleegkundigen is het al eeuwen een tweede natuur. In dit artikel
wordt dan ook specifiek aandacht besteed aan de vraag: hoe kun je aan het werk
met de ICF? Met de implementatie van de Internationale
classificatie van het menselijk functioneren (ICF) als uitgangspunt wordt
ingezoomd op de mogelijkheden voor de instelling als geheel, de afdeling en de
individuele verpleegkundige.
Kan een verpleegkundige direct aan de slag met de ICF?
Ja, maar in beperkte mate. De classificatie is, anders
dan bijvoorbeeld classificaties als NANDA, NIC en NOC, niet specifiek voor de verpleegkundige praktijk ontwikkeld.
De ICF
als basis voor een gemeenschappelijke taal
De ICF[noot]1 bestaat uit een raamwerk van classificaties
die tezamen een gestandaardiseerd begrippenapparaat
vormen. Dit begrippenapparaat kan gebruikt worden voor het beschrijven van het
menselijk functioneren en de problemen die daarbij kunnen optreden. De ICF is
nadrukkelijk niet bedoeld om ziekten te klasseren. Hiervoor heeft de Wereld
Gezondheidsorganisatie een andere classificatie ontwikkeld, de ICD-10 (International
Classification of Diseases,
tiende versie). De ICF en de ICD zijn globaal gezien complementair en daarom
geschikt om als multidisciplinair denkkader of referentiekader te gebruiken
(zie figuur 1 van het voorgaande artikel). In het AMC zijn iconen toegevoegd
(zie Referentiekader ICF-ICD) en werd het schema met
redelijk succes toegepast in mono- en multidisciplinaire
patiëntenbesprekingen.
De individuele verpleegkundige hoeft zich uiteraard niet
te beperken tot het schema, maar kan ook de concrete termen uit de ICF
gebruiken om verschijnselen in de klinische praktijk in kaart te brengen (zie
tabel 1).
Een groot voordeel is dat de ICF in 14 talen is vertaald,
waardoor de vergelijkbaarheid op internationaal niveau groot is. Daarbij komt
dat bij het ontwikkelingstraject een groot aantal disciplines betrokken is en
dat patiëntengroepen de neutrale terminologie positief waarderen.
Referentiekader en terminologie kunnen zo dienst doen als hulpmiddel bij
gegevensverzameling, oftewel het:
* bevragen van de patiënt,
familie en andere hulpverleners;
* observeren en
inspecteren/onderzoeken van de patiënt;
* registreren van klachten,
bevindingen en conclusies.
Naast de gegevensverzameling zijn de structuur (figuur 1 voorgaande artikel) en de termen (tabel 1) uiteraard ook
rechtstreeks te gebruiken in de mondelinge communicatie met en over een
patiënt, zoals tijdens
* visites, dagelijkse rondes;
* overdrachten van de ene dienst
naar de andere;
* voorlichting aan de
patiënt (bijvoorbeeld over de effecten van een interventie);
* overdrachten van de ene
zorgaanbieder naar de andere.
De
ontwikkelde instrumenten
De in het project ‘Toepassingsmogelijkheden van de ICF’ ontwikkelde instrumenten zijn gecentreerd rond
het onderzoek van de gezondheidstoestand op individueel niveau. De
deelprojecten waren gericht op volwassen ziekenhuispatiënten.
De ICF fungeerde als basis voor het ontwikkelen van
klinische instrumenten zoals standaardverpleegplannen,
anamneseformulieren en klinische paden. Waar relevant zijn de instrumenten
gebaseerd op de structuur, terminologie, definities of typeringen (qualifiers, ernstschalen) van de ICF. De diverse instrumenten hebben gemeenschappelijk dat
ze toegepast worden in het primaire proces (Albersnagel
& Van der Brug, 2002). Zo zijn de ontwikkelde anamneses te gebruiken bij de
gegevensverzameling. Hierbij kan het gaan om een eenmalige inventarisatie
(veelal bij opname) of een periodieke inventarisatie. Het verzamelen van
gegevens van een persoon op verschillende momenten in de tijd verschaft meer
informatie over het beloop van het functioneren bij die persoon. In tabel 2 is
te zien welk instrument bij welke fase van het primaire proces ondersteuning
kan bieden.
Alle instrumenten die in het project werden ontwikkeld
zijn voor geïnteresseerden beschikbaar. Om met de instrumenten aan de slag
te kunnen is kennis van de doelstelling van het instrument, de doelgroep en de
ICF noodzakelijk.
Aandachtspunten
bij de implementatie
Theorievorming op het gebied van de implementatie van
uiteenlopende innovaties laat zien dat het bij implementatie gaat om een proces
waarin kennis, attitude, vaardigheden, gedrag en
organisatorische factoren allemaal aandacht vereisen (Grol, Van Everdingen, Casparie, 1994; Wensing, Grol, & Van Splunteren,
2000). Het belang van de totaalaanpak wordt bevestigd in de ICF-projecten.
De door Grol beschreven stappen (oriëntatie, inzicht, acceptatie en
verandering) zijn bruikbaar om de implementatie-ervaringen uit de ICF-projecten te ordenen.
·
Oriëntatie
Betrokkenen moeten op de hoogte zijn van het nieuwe
instrument, de doelstelling, de noodzaak, de achtergronden, de benodigde inzet
en zo verder. Hierbij moet niet uitsluitend gedacht worden aan
verpleegkundigen, maar ook aan opleidingsfunctionarissen, artsen, managers,
beleidsmedewerkers en bestuurders. De sales
talk dient situationeel van aard te zijn. Geen standaardverhaal, maar
perfect afgestemd op de doelgroep. De doelstelling is doorgaans hetzelfde:
interesse wekken, draagvlak creëren en betrokkenheid stimuleren.
·
Inzicht
Na de globale oriëntatie komt het bij de direct
betrokken aan op verdieping van het inzicht. Hulpverleners moeten precies weten
wat het instrument en de nieuwe werkwijze inhoudt. Voor een kwalitatief goede
hulpverlening is immers begrip nodig van de tools die worden gebruikt.
Integratie van het ICF- gedachtegoed in het denken van verpleegkundigen gaat
niet zonder begrip. Het is daarom aan te bevelen om meerdere ingangen te
gebruiken om de boodschap over te brengen, zoals flyer, poster,
werkboek, handleiding, voorlichting, scholing en zo verder. Uit de ervaringen
van de deelprojecten komt naar voren dat kennis van de structuur en inhoud van
de classificatie een positief effect heeft op de implementatie.
·
Acceptatie
Een positieve houding van de gebruikers is van groot
belang voor een succesvolle implementatie.
Veranderingsgeneigdheid wordt aangemoedigd wanneer de voordelen als groter
worden ervaren dan de nadelen. Zo roept een te uitgebreid instrument in het algemeen weerstand op, zeker als het in de plaats komt
van een beknopter instrument: ‘Dat kost nog meer tijd!’. Omdat de
ICF veel beschrijvende termen bevat moet de verleiding worden weerstaan om te
veel items te selecteren voor een specifieke
toepassing.
·
Verandering
In de projecten is volop gelegenheid geboden om de nieuwe
instrumenten uit te proberen en af te stemmen op de lokale wensen.
Verpleegkundigen kregen kans om hun kennis te vergroten en ervaring op te doen
met de nieuwe instrumenten. Er is ook voldoende tijd geweest om praktische en
organisatorische aanpassingen te realiseren. Zo werd ervaren dat het mogelijk
is om met de ICF te werken. Bij enkele projecten is eveneens gewerkt aan het
behoud van de verandering, door tijdens het project al voorwaarden te scheppen
voor een langdurige en grootschalige implementatie.
Tabel 3 bevat een selectie van acties die een succesvolle implementatie
in de weg staan. De tabel is gebaseerd op de ervaren belemmerende factoren bij
de implementatie van sommige ICF-instrumenten.
Aan het
werk
Op de website van het LCVV (www.lcvv.nl) zijn
verschillende instrumenten in te zien of te downloaden. Voor algemene vragen
kan men contact opnemen met het informatiecentrum van het LCVV (telefoon (030) 291 90 19, e-mail: infocentrum@lcvv.nl) en
voor meer specifieke vragen met de contactpersonen (zie tabel 2).
Wanneer men instrumenten in gebruik wil nemen is het van
belang contact op te nemen met de in tabel 2 genoemde contactpersonen.
Voorwaarde voor gebruik is namelijk dat er feedback wordt gegeven door de
externe gebruikers. Hun ervaringen kunnen bijdragen aan de verbetering van de
instrumenten.
Wanneer de ontwikkelde instrumenten niet aansluiten bij
de behoefte in een specifieke verpleegsituatie, kunnen bestaande instrumenten
worden aangepast. Wanneer dit niet gaat, wordt aanbevolen
contact op te nemen met het Nederlandse WHO Collaborating
Centre for the family of International Classifications (FIC), dat gevestigd is bij het centrum
Volksgezondheid Toekomst Verkenningen (VTV) van het Rijksinstituut voor
Volksgezondheid en Milieu (RIVM)[noot]2. Hier heeft men een
totaaloverzicht van op basis van de ICF ontwikkelde instrumenten. Uiteraard kan
men ook zelf een literatuursearch doen in
bijvoorbeeld Cinahl, Embase,
Medline of The Cochrane Library.
Wanneer er uiteindelijk toch voor wordt gekozen om zelf een toepassing te
ontwikkelen is het van belang om dit te melden bij zowel het Collaborating Centre als het LCVV (e-mail: y.heijnen@lcvv.nl) en zo mogelijk samen te werken met reeds lopende projecten. Als
het gaat om het ontwikkelen van richtlijnen zijn ook de criteria van de
toetsingscommissie van het AVVV van belang (www.avvv.nl).
De
toekomst
Het project ‘Toepassingsmogelijkheden van de ICF’ wordt met een drietal symposia afgesloten (zie
p. 18). Dit betekent niet dat alle activiteiten rond de ICF-classificatie
ten einde zijn. De resultaten van het project worden via de Nederlandse
vertegenwoordigers (WHO Collaborating Centre) aan de
WHO gemeld en zullen een rol spelen bij toekomstige herzieningen van de
classificatie. Hierdoor kan de bruikbaarheid voor de verpleegkundige zorg
verder verbeteren.
Het LCVV en de AVVV zullen het gebruik van de ICF in
Nederland verder bevorderen. De classificatie is immers niet alleen een
hulpmiddel voor het ontwikkelen van praktijkinstrumenten, maar door gebruik van
de classificatie kunnen verpleegkundigen de buitenwereld ook beter duidelijk
maken waar zij zich dag in dag uit mee bezig houden. De boodschap van de
verpleging kan daarmee aan beleidsmakers beter worden overgebracht.
Intussen beraden LCVV, AVVV, AMC, AZG en UMC St. Radboud zich
op vervolgactiviteiten. In het project is veel bruikbaar materiaal ontwikkeld,
maar voor een gevarieerd werkterrein als dat van verpleegkundigen zal nog veel
meer ontwikkelwerk nodig zijn. Te denken valt aan toepassingen voor andere
doelgroepen (kinderen), sectoren (gehandicaptenzorg, verpleeghuiszorg et cetera
), nieuwe hulpverleners (physician assistant, nurse practitioner) of in nieuwe ontwikkelingen
(Diagnose Behandeling Combinaties). Tenslotte zal
worden bekeken waar bruggen te slaan zijn met projecten en ideeën in
andere landen, want ook elders in Europa lijken initiatieven van de grond te
komen. Concrete voorstellen voor vervolgactiviteiten worden in de komende tijd
uitgewerkt en via de LCVV-website (www.lcvv.nl)
wereldkundig gemaakt.
Nawoord
Drs. Y. van der Brug is senior beleidsmedewerker bij de
Concernstaf Patiëntenzorg in het AMC.
Dr. T. van Achterberg is hoogleraar verplegingswetenschap
UMC St. Radboud te Nijmegen.
Drs. Y. Heijnen-Kaales is
beleidsadviseur bij het LCVV.
M. van Kleef is beleidsmedewerker bij de Concernstaf
Patiëntenzorg in het AMC en projectleider verpleegkundig dossier AMC.
Noten
1 Zie noot 2 op p. 23.
2 Postbus 1, 3720 BA Bilthoven, telefoon (030) 274 20 39,
fax (030) 274 44 50, e-mail: willem.hirs@rivm.nl.
Literatuur
Albersnagel, E., Van der Brug, Y.M. Diagnosen, interventies en resultaten. Wolters-Noordhoff, Groningen, 2002.
Grol, R.P.T.M., Van Everdingen, J.J.E., Casparie, A.F. Invoering van
richtlijnen en veranderingen. Een handleiding voor de medische, paramedische en
verpleegkundige praktijk. De Tijdstroom, Utrecht, 1994.
Nederlands
WHO-FIC Collaborating Centre. ICF, Internationale
classificatie van het menselijk functioneren (vertaling). RIVM, Bilthoven/Bohn Stafleu Van Loghum, Houten, 2002.
RIVM. ICIDH-2, Internationale
Classificatie van het menselijk Functioneren. Beta-2 draft for field trials.
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven, 1999.
Ten Napel, H. Classificatie van Diagnostische Termen
voor de Verpleegkunde (CDV). Nationale Raad voor de Volksgezondheid/WCC, Zoetermeer, 1996.
Wensing, M., Grol, R. & P. van Splunteren. Praktisch nieuw: implementatie
van vernieuwingen in de gezondheidszorg. Van Gorcum,
Assen, 2000.
WHO. ICF, International
Classification of Functioning, Disability and Health. World Health Organization, Geneva,
2001.
Tabel
1. Voorbeelden van termen uit de ICF
|
Component |
Functies |
Activiteiten |
Participatie |
|
Categorieën * |
(stoornis
in:) bewustzijn oriëntatie slaap geheugen smaak pijngewaarwording stem ademhaling defecatie spiersterkte herstelfuncties van huid |
(beperking
in:) besluiten nemen schrijven omgaan met stress lopen uitvoeren van transfers zich wassen zorg dragen voor toiletgang zich kleden eten huishouden doen intieme relaties |
(participatieproblemen
in:) omgaan met onbekenden formele sociale relaties informele sociale relaties beroepsopleiding hogere opleiding betaald werk onbetaald werk maatschappelijk leven recreatie en vrije tijd religie en spiritualiteit politiek en burgerschap |
* classificatie op het tweede niveau
Tabel 2.
Ontwikkelde instrumenten in relatie tot het primair
proces
|
Instrumenten/aantal |
Zorgsegment |
Hulpmiddel bij |
Ontwikkelaars contactpersoon |
|
Anamneses (6) |
Klinsch-somatische zorgverlening Psychiatrie |
Gegevens verzamelen |
AMC y.vanderbrug@amc.uva.nl |
|
Anamneses (4) |
Neurologie KNO/mondchirurgie Psychiatrie Neuro- en
plastische chirurgie |
Gegevens verzamelen |
AZN g.holleman@zorg.umcn.nl |
|
Beoordelingsinstrumenten Gezondheidstoestand (5) |
Zorgverlening aan Geriatrische patiënt door: Verpleegkundige Arts Fysiotherapeut Maatschappelijk werk Neuropsycholoog |
Gegevens verzamelen |
AZG a.m.boelens@int.azg.nl |
|
Screeningsinstrument (1) |
Chronisch neurologische
Aandoeningen |
Gegevens verzamelen Evalueren |
AZG k.wynia@neuro.azg.nl |
|
Standaard verpleegplannen
(3) |
Zorgverlening aan volwassenen met: Pijn Stoornis in oriëntatie Beperking in therapietrouw |
Diagnose stellen Beoogde resultaten bepalen Interventies selecteren |
AMC, AZG, AZN y.vanderbrug@amc.uva.nl |
|
Protocollen patiëntenbespreking
(2) |
Intramurale zorgverlening Monodisciplinair Multidisciplinair |
Gegevens verzamelen Evalueren |
AMC y.vanderbrug@amc.uva.nl |
|
Presentatieformulier Patiëntenbespreking (1) |
Intramurale zorgverlening |
Gegevens verzamelen Evalueren |
AMC y.vanderbrug@amc.uva.nl |
|
Klinische paden
(2) |
Longchirurgie CABG |
Gehele primair proces, maar accent op: Interventies selecteren Interventies uitvoeren |
AMC h.cozijn@amc.uva.nl |
|
Multidisciplinair overdrachtsformulier |
CVA-patiënten |
Gegevens verzamelen Evalueren Afsluiten/overdragen |
AZG h.a.stallinga@bvz.azg.nl |
|
Multidisciplinair dossier |
Palliatieve zorg aan patiënten op een
gynaecologische afdeling |
Gehele primair
proces |
AMC a.m.buijse@amc.uva.nl |
Tabel 3. Knelpunten bij de invoering van ICF-instrumenten
|
Stappen |
Wat
moet je niet doen |
|
Oriëntatie |
Monodisciplinaire
ontwikkeling, introductie en scholing Beginnen zonder oriëntatie op de kennis en motivatie
voor de implementatie (bij betrokkenen) Multidisciplinaire instrumenten introduceren terwijl de
werkprocessen nog monodisciplinair ingevuld worden Beginnen in een setting waarin er geen beeld is van
veel voorkomende zorgvragen |
|
Inzicht |
Onduidelijke rapportage procedures Afspraken en verantwoordelijkheden niet op papier
zetten Meerduidige handleidingen bij de instrumenten Handhaven
van ondoorzichtige, inefficiënte werkprocessen/routings
Verwarring over begrippen, procedures en instrumenten
te laat signaleren of laten bestaan |
|
Acceptatie |
Betrokkenen (zoals management en ‘andere’
disciplines) te laat betrekken Implementeren op afdelingen die innovatiemoe zijn, of
overvraagd worden Nieuwe instrumenten trachten te verkopen, terwijl de huidige uitstekend voldoen Nieuwe instrumenten trachten te verkopen, terwijl de
nadelen (veel meer schrijfwerk) niet opwegen tegen de voordelen Algemene instrumenten verkopen op een specialistische
werkplek Te snel aannemen dat er acceptatie is (onderhoud, langdurige
interventie blijkt nodig) Het instrument geïsoleerd verkopen en onvoldoende
relaties leggen met andere relevante ontwikkelingen |
|
Verandering |
Werkplekken selecteren met veel wisselingen (in
personeel, leiding, workload of beleid) Werkplekken selecteren zonder kennis of motivatie voor
het klinisch redeneren Betrokkenen onvoldoende tijd gunnen om te ervaren dat
nieuwe instrumenten werken Geen perspectief op continuering van werkwijze en
instrumentonderhoud bieden Veranderen zonder voldoende inhoudelijke –en
procedurele expertise Kiezen voor één implementatiestrategie Gebruikerservaringen niet gebruiken om het instrument
te verfijnen Onvoldoende aandacht voor de uiterlijke presentatie
(lay-out) |
Tijdschrift voor
verpleegkundigen, 2009-10
Vier instrumenten
auteurs: Fokje Hellema, John
Kinds, Mieke Boelens, Isaäc
Bos, Marie Louise Luttik, Gonda
Stallinga, Ger Tijssen, Doetie Visser, Giel van Vliet, Klaske Wynia
In dit
artikel worden vier instrumenten beschreven, die met behulp van de ICF zijn ontwikkeld en
waarmee de gezondheidssituatie van patiënten in kaart kan worden gebracht.
Het gebruik van deze instrumenten draagt bij aan de continuïteit van de
zorg, zowel binnen de instelling als transmuraal, en binnen de eigen discipline
als ook multidisciplinair.
Het verzamelen van gegevens over de gezondheidssituatie
van de patiënt is een belangrijk onderdeel van het beroepsmatig handelen
van verpleegkundigen. Het vormt niet alleen de eerste fase in het verpleegkundig proces, maar het is ook nodig voor het
waarborgen van de continuïteit van de zorg. Die continuïteit is niet
alleen van belang bij de dagelijkse overdracht, maar ook aan het einde van de
zorgverlening, waar het een vorm van evaluatie van de zorg betreft. De
verpleegkundige anamnese behelst een brede inventarisatie van de
gezondheidssituatie van de patiënt, bij evaluatie van zorg zal specifieker gekeken worden naar de resultaten van de
interventies.
Transmurale zorg in zorgketens en
multidisciplinaire zorg staan volop in de belangstelling. We spreken van een
zorgketen wanneer huisartsen en hulpverleners van ziekenhuizen, thuiszorg en
verpleeghuizen samenwerken. Doel hiervan is om vraaggerichte zorg te kunnen
leveren in een efficiënt en continue verpleeg- en
behandelproces. Een belangrijk vraagstuk hierbij is, hoe discontinuïteit
in de zorgverlening kan worden voorkomen bij overplaatsing van de patiënt
naar een andere instelling en/of bij behandeling door meerdere disciplines. Om
de ingezette zorg te kunnen continueren moeten relevante gegevens over de
patiënt voorhanden zijn.
In het kader van het ICF-project
werden in vier deelprojecten nieuwe instrumenten ontwikkeld voor het in kaart
brengen van de gezondheidssituatie van patiënten uit verschillende
categorieën en zorgsettingen . Een belangrijke
reden om de ICF te gebruiken is de noodzaak tot ‘eenheid in taal’
tussen verschillende disciplines en instellingen. De achterliggende gedachte is
dat door het bieden van een eenduidig referentiekader voor meerdere
disciplines, de communicatie onderling verbeterd en de
zorgverlening beter op elkaar afgestemd wordt.
De ontwikkelde instrumenten zijn: 1) een protocol voor multidisciplinaire
patiëntenbespreking, inclusief een presentatieformulier voor een
multidisciplinaire patiëntenbespreking in het Academisch Medisch Centrum
te Amsterdam en in het Academisch Ziekenhuis te Groningen; 2) vragenlijsten
voor het verzamelen van gegevens ter ondersteuning van het diagnostisch
onderzoek van geriatrische patiënten op het dagonderzoekcentrum;
3) een multidisciplinair screeningsinstrument bij chronisch
neurologische aandoeningen; 4) een overdrachtsformulier voor de overdracht van
zorg voor patiënten van de Centrale Spoedopvang naar de stroke unit en vandaar naar verpleeghuis of thuiszorg.
Algemene doelstelling bij
de projecten was het bereiken van continuïteit van zorg voor de
patiënt. De ontwikkelde instrumenten zijn hulpmiddelen voor overleg en
overdracht van zorgbehoeften en zorgverlening. Ze werden ontwikkeld vanuit de
algemene vraagstelling: Welke toepassingsmogelijkheden biedt de
ICF bij: het in kaart brengen van de gezondheidssituatie van de patiënt?
(1); multidisciplinair en transmuraal overleg? (2); het bevorderen van
(naadloze) aansluiting tussen vraag en aanbod, multidisciplinair en
transmuraal? (3).
De
multidisciplinaire patiëntenbespreking
Het ontwikkelen en toepassen van een protocol voor
patiëntenbesprekingen, inclusief presentatieformulier, gebeurde binnen
één van de deelprojecten van het AMC.
Het project was opgezet omdat de patiëntenbesprekingen als
ongestructureerd en inefficiënt werden ervaren. Het protocol is een
hulpmiddel om het proces van de patiëntenbespreking gestructureerd te laten
verlopen. Het beschrijft stapsgewijs de voorbereiding, de bespreking zelf en de
afronding. Tevens komen de rollen van de verschillende deelnemers aan bod.
De voorzitter bepaalt welke patiënt(en) en
vraagstelling(en) ingebracht worden in de patiëntenbespreking. De
presentatie van de patiënt (door een verpleegkundige) verloopt via de
vaste structuur van het presentatieformulier.
Naast de personalia, ziekte en voorgeschiedenis worden
een aantal aspecten overeenkomstig de ICF-hoofdstructuur op sheet in de patiëntenbespreking
gepresenteerd: functies en anatomische eigenschappen/stoornissen;
activiteiten/beperkingen; participatie/participatieproblemen; persoonlijke
factoren; externe factoren.
Hierna volgt de uitwerking van de vraagstelling door de
aanwezigen en worden afspraken gemaakt wie wat gaat doen. De
patiëntenbespreking wordt geëvalueerd en de resultaten worden zo
spoedig mogelijk gedocumenteerd.
Resultaten
De gehanteerde ICF-structuur in
het presentatieformulier biedt de verpleegkundigen ondersteuning om kort en
bondig een volledig beeld van het actuele functioneren van patiënten weer
te geven. Men vindt het formulier gemakkelijk in te vullen, met
name wanneer men de patiënt goed kent. Over het algemeen wordt het
klasseren niet moeilijk gevonden, maar soms twijfelt men over het verschil
tussen stoornissen en beperkingen en tussen participatie en externe factoren.
Dit is echter geen belemmering voor het gebruik in de praktijk want de
verpleegkundigen noteren het naar eigen inzicht met het idee ‘als het maar
ergens staat’. De (ICF-) termen in de kopjes vinden zij duidelijk.
Tijdens de patiëntenbesprekingen blijkt dat de
neutrale ICF-terminologie goed bruikbaar is en
aansluit bij de natuurlijke taal (het formulier stuurt niet echt, maar het
vooraf nadenken over de vraagstelling en relevante gegevens maken dat alleen de
essentie aan bod komt).
De verschillende disciplines spreken zich allen zeer
positief uit over de manier waarop de verpleegkundigen tegenwoordig
patiënten presenteren. Door gebruik te maken van een vaste structuur is de
kwaliteit van een presentatie minder afhankelijk van de capaciteiten van de
betreffende verpleegkundige, en kan ook bijvoorbeeld een stagiaire een
duidelijk beeld geven van de gezondheidstoestand van een patiënt.
In
kaart brengen geriatrische problematiek
Vanuit de eerste lijn is er behoefte aan geriatrische
expertise. Huisartsen, RIAGG-artsen en
verpleeghuisartsen hebben weinig of geen mogelijkheden voor medisch
specialistische diagnostiek, die aansluit bij het ontstaan van geriatrische
problemen in de thuissituatie. Het dagonderzoekscentrum
Geriatrie in het AZG is speciaal ingesteld op diagnostiek en advisering over
behandeling van patiënten met geriatrische problemen. Het verzamelen van
gegevens van de patiënt is daarbij één van de centrale
activiteiten van het multidisciplinair samengestelde team op het dagonderzoekcentrum.
Op het dagonderzoekscentrum
Geriatrie zijn in het kader van dit project vragenlijsten ontwikkeld voor
vijf disciplines (arts, verpleegkundige, neuropsycholoog,
fysiotherapeut en maatschappelijk werker). Met deze vragenlijsten wordt de
gezondheidstoestand van de geriatrische patiënt in kaart gebracht, om vervolgens
multidisciplinaire afstemming te bereiken.
Resultaten
Het uiteindelijke resultaat bestaat uit vijf
vragenlijsten voor vijf disciplines, die een eenduidige terminologie bevatten.
De vragenlijsten zijn op elkaar afgestemd, overbodige herhalingen tussen
disciplines zijn verwijderd en tekorten zijn aangevuld. De ICF-classificatie
is een goed hulpmiddel geweest bij het ontwikkelen van de vragenlijsten. De
dimensies Functies, Activiteiten, Participatie en Externe factoren hebben de
structuur van de vragenlijsten bepaald, voor het construeren van de vragen is
de terminologie van de definities, codes en qualifiers
gebruikt.
Bij het gebruik van de ICF-definities
bleek dat er verschillen bestonden in de interpretatie van bepaalde begrippen.
Bij het begrip ‘mobiliteit’ bijvoorbeeld. Artsen en
verpleegkundigen bedoelen bij mobiliteit vaak het lopen of het in en uit bed
komen, terwijl de fysiotherapeut ook de beweeglijkheid van de gewrichten op het
oog heeft. De ICF geeft een eenduidige definitie voor dit soort begrippen.
Het ontwikkelen van de vragenlijsten heeft inzichtelijk
gemaakt welke discipline welke informatie van de patiënt in kaart brengt.
Het ontwikkelingsproces met betrokken disciplines en het gebruik van de
vragenlijsten hebben bijgedragen aan afstemming van de zorg. De kwaliteit en
doelmatigheid van de zorgverlening is voor de patiënt verbeterd doordat
hem geen herhaalde en/of overbodige vragen meer gesteld worden, of belangrijke
gegevens over het hoofd gezien worden.
Een
multidisciplinair screeningsinstrument
Binnen het deelproject Neurologie van het AZG werden de
contouren van een casemanagementmodel geformuleerd.
Dit model beschrijft in feite het organisatorisch
kader waarbinnen de casemanager de multidisciplinaire
samenwerking vorm kan geven. Voorafgaand aan de ontwikkeling van het casemanagementmodel is een multidisciplinair screeningsinstrument ontwikkeld. Goed inzicht in de
problematiek en behoeften van mensen is immers een noodzakelijke voorwaarde om
het hulpverleningsproces te kunnen starten en te kunnen regisseren.
Met behulp van de Delphimethode
- waarbij een deskundig panel de ICF in zijn totaliteit
heeft beoordeeld op relevantie voor de betreffende patiëntengroepen - werd
een selectie gemaakt van een werkbaar aantal onderwerpen. Tenslotte is het
instrument binnen een kleine pilot uitgeprobeerd.
Patiënten kregen het instrument thuis toegestuurd, voorafgaand aan hun
bezoek aan de casemanager (binnen de afdeling
Neurologie de Nurse Practitioner) op de polikliniek Neurologie van het AZG. Het ingevulde instrument is vervolgens leidraad voor
het gesprek tussen casemanager en patiënt. Het
vervult een aantal functies.
* Het invullen van het instrument dient voor zorgvragers
en hun eventuele mantelzorgers als voorbereiding op het bezoek aan de
polikliniek. Het invullen van het instrument geeft de zorgvrager ook inzicht in
zijn of haar belangrijkste probleemgebieden. Hij kan vooraf, in gesprek met
zijn mantelzorger en naasten, nadenken over wat men zal bespreken en waar
prioriteiten liggen.
* Door het invullen van het instrument wordt
geïnventariseerd of er naar de mening van de zorgvrager sprake is van
fysieke (functie)stoornissen, lichamelijke beperkingen in activiteiten en/of
belemmeringen in het maatschappelijk functioneren, hoe deze worden ervaren en
of hulp of ondersteuning op bepaalde gebieden gewenst is.
* Wanneer het instrument door eenzelfde zorgvrager op
verschillende tijdstippen (halfjaarlijks of jaarlijks) wordt ingevuld kan met
behulp van de ernstschalen ook het verloop van de ernst van de problemen en
verandering in de beleving van problemen inzichtelijk worden gemaakt. Effecten
van interventies zouden daarmee aangetoond kunnen worden.
* Als de gegevens van grotere groepen mensen met
bijvoorbeeld Multiple Sclerose opgeslagen worden, geeft dit meer inzicht in de
problematiek van deze patiëntencategorie. Een en ander kan worden gebruikt
voor onderzoek of organisatie van het zorgaanbod (management).
Resultaten
De resultaten van deze pilot
wijzen uit dat het instrument in de praktijk in grote lijnen bruikbaar is en
een goede basis vormt voor zorgverleners die samen met de zorgvrager inzicht
moeten krijgen in de probleemgebieden en zorgbehoeften van zorgvragers. Vanuit
de verkregen probleemgebieden kan het individuele multidisciplinaire zorgplan
worden opgesteld en uitgevoerd onder regie van de casemanager.
Nader onderzoek, waarin het instrument op grotere schaal
en op andere locaties in gebruik genomen wordt, is noodzakelijk en het dient
gericht te zijn op de kwaliteiten (betrouwbaarheid en validiteit) van het
instrument en verdergaande toepassingsmogelijkheden.
Overdrachtsformulier
voor de CVA-patiënt in de zorgketen
Patiënten met een cerebrovasculair
accident (CVA), die zich in het Academisch Ziekenhuis (AZG) of Martini
Ziekenhuis (MZ) aanmelden, komen op grond van deze diagnose in de stroke service. Om de overdracht binnen deze stroke service te verbeteren is op basis van de ICF een
multidisciplinair en transmuraal overdrachtsformulier ontwikkeld, waarmee een
overzicht verkregen wordt van de actuele gezondheidsproblemen van de CVA-patiënt in de acute fase. Dit overdrachtsformulier
wordt toegevoegd aan het transmurale zorgdossier. Het
ontwikkelde overdrachtsformulier wordt door de verpleegkundige ingevuld na
overleg met betrokken disciplines.
In het AZG vindt overdracht van de patiënt plaats van
de centrale spoedopvang (CSO), waar de diagnostiek plaats vindt, naar de stroke unit. Vervolgens is er een tweede overdrachtsmoment
van de stroke unit naar andere instellingen binnen de
stroke service. In het MZ wordt de patiënt
direct opgenomen op de stroke unit.
Resultaten.
Het overdrachtsformulier wordt gebruikt door de stroke service van twee ziekenhuizen in Groningen Stad. Bij
het overdrachtsformulier is een handleiding geschreven waarin de definities van
de begrippen uit de ICF zijn opgenomen. Tevens zijn alle antwoordmogelijkheden
omschreven.
Het overdrachtsformulier beslaat één A4,
dubbelzijdig bedrukt, is snel en gemakkelijk in te vullen en is ook geschikt voor digitale
toepassing. De items zijn ingedeeld in zes
categorieën: sociale gegevens, medische gegevens, communicatie, mentale
functies, mobiliteit en persoonlijke verzorging. Bij ieder item
dient door middel van het aankruisen van de antwoordcategorie ‘ja’
of ‘nee’ te worden aangegeven of er sprake is van een probleem. Na
de zesde categorie is er ruimte voor problemen die niet op het
overdrachtsformulier staan vermeld. In tabel 1 is een deel van de
overdrachtslijst weergegeven.
Bij het ontwikkelen van het overdrachtsformulier kwam de
kwestie van het verschil tussen neutrale ICF-begrippen
en praktijkbegrippen weer naar voren. Voor de problemen diarree en obstipatie
geeft de ICF het begrip defecatie met de code b325. Defecatie is een neutraal begrip. De zorgverlener wil op
het moment van overdracht echter weten of de patiënt hiermee problemen
heeft. Een ICF-begrip is dan ‘stoornis in defecatie’. Diarree en obstipatie zijn
probleemformuleringen die niet zijn opgenomen in de ICF.
Omdat het van belang is te weten waaruit de defecatiestoornis
bestaat, zijn de probleemformuleringen wel op het formulier toegevoegd. Bij defecatiestoornis
kan ja of nee ingevuld worden. Vervolgens kan diarree of obstipatie worden
aangekruist, zonder codes (zie tabel 1).
Uit de evaluatie van het gebruik van het
overdrachtsformulier blijkt dat zorgverleners van de instellingen baat hebben
bij het door verpleegkundigen ingevulde formulier. In de
verpleeghuizen wordt door de paramedische disciplines en in de thuiszorg door
de wijkverpleegkundigen aangegeven dat zij door dit formulier meer dan voorheen
een totaaloverzicht hebben van de gezondheidsproblemen van de CVA-patiënt. Zij kunnen dan ook eerder en
adequater de zorg overnemen en afspraken maken voor een vervolgbehandeling.
Samenvatting
en conclusies
In dit artikel is een impressie gegeven van instrumenten
die ontwikkeld zijn voor het in kaart brengen van de gezondheidssituatie van
verschillende patiëntencategorieën in verschillende zorgsettingen en voor verschillende doeleinden. Het
gemeenschappelijke van deze deelprojecten is geweest: het ontwikkelen van
‘instrumenten’, gestructureerde vragenlijsten, voor het verzamelen
van gegevens over de gezondheidssituatie van de patiënt, onafhankelijk van
een discipline.
Genoemde instrumenten zijn voorbeelden van
gestructureerde bevraging. Het voordeel van
gestructureerde bevraging is dat altijd dezelfde
gegevens worden verkregen, die daardoor geschikt zijn voor onderlinge
vergelijking. Door het instrument na verloop van tijd te herhalen kan door
vergelijking van de gegevens inzicht verkregen worden in het verloop van de
gevolgen van de aandoening.
Er zijn verschillende methoden gebruikt om de
instrumenten te ontwikkelen. De instrumenten zijn vervolgens in pilots getest in de praktijk, door verpleegkundigen, andere
disciplines en waar het instrument bedoeld is voor gebruik door patiënten,
tevens door patiënten. Voor bredere toepassing is nader onderzoek
noodzakelijk, om de betrouwbaarheid en validiteit van de instrumenten vast te
stellen.
Door gebruik van de ICF in de instrumenten zijn de
begrippen eenduidig te interpreteren. De ordening van de ICF is in enkele
instrumenten overgenomen, in andere instrumenten is uit praktische overwegingen
niet strikt aan de ordening van de ICF vastgehouden. Redenen waren een
thematische indeling of aansluiting bij bestaande instrumenten. In sommige
instrumenten zijn qualifiers aangebracht,
die een oordeel geven over de mate waarin een probleem zich voordoet. Dit hangt
samen met het gebruik van de neutrale termen van de ICF.
Wanneer de negatieve (probleem)formulering wordt
aangehouden, zoals in de praktijk veelal het geval is, kan er met ja/nee worden
geantwoord. Het verschil in terminologie van de ICF en van de zorgverleners
heeft bij het samenstellen van de instrumenten de nodige keuzes met zich
meegebracht. Een belangrijk spanningsveld is daarbij geweest de mate waarin
nieuwe begrippen en een nieuwe ordening in de instrumenten kon worden
aangebracht terwijl dat niet te belemmerend voor implementatie
mocht zijn.
Gerelateerd aan de algemene vraagstelling bij de deelprojecten kunnen we het volgende concluderen:
De ICF is geschikt voor gebruik bij het verzamelen van
gegevens c.q. het in kaart brengen van de gezondheidssituatie van de
patiënt, onafhankelijk van een discipline, zowel als basis voor het verlenen van zorg
als voor evaluatie van zorg, met name in
multidisciplinaire zorgverlening. De instrumenten dienen als basis voor de
communicatie tussen de verschillende disciplines, die bij de zorg en
behandeling van de patiënt betrokken zijn. Door eenduidige interpretatie
van begrippen en bekendheid met elkaars begrippenkader verloopt de communicatie
over de zorgverlening gemakkelijker. Gebruik van de ICF draagt op deze manier
bij aan zowel multidisciplinaire uitwisseling als continuïteit van zorg.
Tabel 1. Het onderdeel persoonlijke verzorging uit het overdrachtsformulier

Tijdschrift voor
verpleegkundigen, 2009-10