31 januari 2011
Mantelzorg en medewerkers
Op de afdeling van moeder is in april vorig jaar een nieuwe teamleider gestart. Zij is vol goede moed begonnen met een verbeterplan dat ondermeer moet opleveren dat er meer openheid en samenwerking ontstaat tussen medewerkers en mantelzorg van cliënten.
Langzaam maar zeker worden de veranderingen zichtbaar op de afdeling. Er zijn minder flexmedewerkers en de bezetting van de vaste medewerkers wordt over de hele week verdeeld. Voorheen waren er op maandag en dinsdag - de ‘wasdagen' - altijd meer medewerkers en op andere dagen waren er vaak tekorten, dit komt nu minder voor.
Op de afdeling waar moeder woont zijn drie woongroepen. De teamleider heeft besloten dat medewerkers regelmatig moeten wisselen van woongroep. Voordeel hiervan is volgens de teamleider dat de medewerkers alle bewoners goed kennen en niet alleen maar de bewoners van een woongroep. Ik ben het daar niet helemaal mee eens, naar mijn overtuiging is continuïteit van persoon voor dementerenden heel belangrijk en zouden de cliënten in de organisatie van de zorg centraal moeten staan. In een familiebijeenkomst van mei legt de teamleider uit dat het gaat om de continuïteit van zorg. Alle medewerkers moeten alle cliënten kennen en overal inzetbaar zijn. Ik ben benieuwd hoe het dan gaat met de overdracht, die moet dan wel heel goed geregeld en gedaan worden.
Interview
De medewerkers worden ook geschoold, met name in de omgang met dementerenden en familie. Zo krijgt iedere medewerker de opdracht één familielid of contactpersoon te interviewen over de samenwerking. Op de dag dat ik moeder terugbreng van een bezoek aan de tandarts vraagt een vaste medewerker of zij mij mag interviewen. Het is de medewerker met wie ik in het voorjaar nogal in de clinch heb gelegen omdat zij moeder kwijt was geraakt bij het boodschappen doen. De verhouding tussen haar en mij is altijd wat gespannen gebleven. Ik vind het dan ook moedig van haar dat zij het juist aan mij vraagt.
We gaan er even apart voor zitten. De belangrijkste vraag die zij mij stelt is: ‘Wat vind jij dat er verbeterd moet worden in de relatie tussen de medewerkers en de contactpersonen?' Ik antwoord dat het belangrijk is voor medewerkers om zich te realiseren dat het voor familieleden heel moeilijk is om hun vader/moeder/partner over te geven aan de zorg van vreemden, waar de familie het eerst jarenlang zelf heeft gedaan. Dat ik verpleegkundige ben, moet voor hen niet uitmaken, ik ben een bezorgde dochter, die in eerste instantie vindt dat niemand zo goed voor haar moeder zorgt als zijzelf.
Er ontstaat een open en constructief gesprek waarin de medewerker aangeeft dat zij het in het begin heel moeilijk met mij gehad heeft, omdat ik verpleegkundige ben en dat ze het ook moeilijk had met mijn dochter, die ergotherapeut in een verpleeghuis is. Zij had het gevoel had dat wij erg assertief waren en dat de medewerkers het niet goed konden doen. Ik leg haar uit dat ik vind dat zij als professional moet weten of aanvoelen dat wij het als familie moeilijk vinden om de zorg voor moeder over te dragen. Dat ik verpleegkundige ben, maakt daarin niets uit, ik ben alleen maar de bezorgde dochter die het beste wil voor moeder. En als zij het gevoel heeft dat wij het beter weten, is het haar taak als professional en evv'er om een gesprek te arrangeren waarin de eventuele communicatieproblemen besproken kunnen worden.
Uiteindelijk gaan we goed uit elkaar. We zullen in de toekomst meer open zijn tegenover elkaar. Ik heb wel het idee dat ik haar een korte scholing omgaan met familie heb gegeven, door haar uit te leggen wat haar professionele taken zijn in de omgang met familie. Toch de verpleegkundige met jarenlange ervaring die ervaart wat het is om mantelzorger te zijn!
Hanneke Ikking, verpleegkundige en mantelzorger