31 juli 2009
Vandaag zal ik wat vertellen over de levensloop van mijn moeder.
Zij werd geboren in augustus 1925, als tiende kind en jongste dochter in een gezin met twaalf kinderen. Na haar kwamen er nog twee jongens. De drie jongste kinderen hebben door de jaren heen het meeste contact gehouden. Veel verhalen van moeder van vroeger gaan over de ondeugende streken die zij met haar twee broertjes heeft uitgehaald. Een verhaal dat zij de laatste tijd steeds vertelt is dat zij samen met haar broertjes tegen de juf van zondagsschool zei dat moeder het geld voor de zondagsschool niet kon missen en dat ze daarna (ze waren, 6, 8 en 10 jaar) van het geld een fiets huurden. Daarmee zijn ze toen gedrieën naar hun oudste zus gefietst die in een ander deel van de stad woonde. Mijn moeder fietste, een broer zat op het stuur en een achterop.
Beroep
Na de lagere school tijd wilde moeder eigenlijk, zoals zij dat noemde ‘de verpleging in'. Haar moeder vond dat onzin, en stuurde haar naar een gezin waar ze het huis schoon moest houden. Dat is uiteindelijk ook het beroep van mijn moeder geworden: interieurverzorgster, zoals dat tegenwoordig heet. Haar hele leven heeft ze spijt gehad dat ze geen ‘verpleegster' is geworden, de kansen om dat alsnog te doen heeft zij nooit gegrepen; ze voegde zich altijd naar degene die haar het hardst nodig had. Nog steeds is ze reuze trots op mij dat ik wél verpleegkundige ben geworden.
Eerste huwelijksjaren en armoede
In september 1945 is moeder getrouwd met mijn vader, die twee weken later naar ‘Nederlands-Indië' werd gestuurd en pas in 1949 terugkwam. In die jaren heeft mijn moeder gezorgd voor haar twee jongste broers en haar vader en moeder, die in 1948 aan borstkanker overleed.
In 1949 kwam mijn vader terug naar Nederland en in 1950, 1952 en 1954 werden de drie kinderen in ons gezin geboren.
Het was hard werken voor mijn ouders. Door de oorlogsjaren en de eerste jaren daarna hadden mijn ouders als het ware een deel van hun jeugd overgeslagen.
Moeder was de spil van het gezin. Vader werkte hard (had soms twee banen om extra geld te verdienen) en studeerde in de avonduren om te zorgen dat de kinderen het later beter zouden krijgen. Toen de kinderen alle drie naar school gingen pakte moeder haar oude beroep weer op en zo gingen de jaren voorbij. In de eerste tien tot vijftien jaren van hun huwelijk hebben onze ouders echt armoede geleden, maar voor ons, de kinderen, werd veel opzij gezet.
Haar bijzondere gevoel voor humor - ondeugende streken uithalen - heeft moeder altijd behouden, ze heeft een keer met een vriendin 's nachts een fiets gepakt die niet op slot stond en daar samen met de vriendin rondjes mee gereden. De fiets werd uiteraard weer teruggezet. Mijn vader stond doodsangsten uit. Zoiets hoorde toch niet, stel je voor dat iemand haar zou betrappen!
Lief en leed
Een goede band met haar familie heeft moeder altijd gehouden, haar verjaardag was het hoogtepunt van het jaar waar alle broers en zussen met aanhang kwamen. Alle nichten en neven waren gek op mijn moeder, ook door haar gevoel voor humor. Alles kon altijd bij tante! Overal lachte moeder om, nooit uitte zij dat zij verdriet had of ergens niet meer tegen kon. Zij was de sterke vrouw in de familie.
Als er narigheid was in de familie - de jaren van overlijden van broers, zussen, zwagers en schoonzussen kwamen onvermijdelijk - werd er verzameld bij vader en moeder thuis en menig traantje werd daar geplengd.
Begin jaren zeventig openbaarde zich bij mijn broer chronische nefritis. Dat heeft er bij ons gezin erg ingehakt. Hij heeft een lang ziekbed gehad, dat voor ons allemaal, maar vooral voor hemzelf en voor mijn ouders, erg zwaar is geweest. Uiteindelijk is hij in 1998 overleden. Voor moeder is dit het ergste wat zij in haar leven heeft meegemaakt: ‘hij was nog niet aan de beurt, ik was aan de beurt' is iets wat zij af en toe nog zegt, en ‘je leert er mee leven, dat is alles wat het is'.
Door de jaren van studie en hard werken waren moeder en vader zodanig uit elkaar gegroeid dat een scheiding onvermijdelijk werd. Die werd in 1985 een feit.
Na het overlijden van mijn broer heeft moeder een tijd lang depressieve klachten gehad, daar heeft zij antidepressiva en gesprekken met verschillende therapeuten voor gekregen. In die gesprekken vroeg zij altijd naar het welzijn van de therapeut tegenover haar en liet nooit het achterste van haar tong zien.
Na 1980 zijn successievelijk alle broers en zussen van moeder overleden. Er zijn nu nog twee schoonzussen. Haar verdriet als er weer een begrafenis of crematie was lachte moeder steeds weg. Totdat haar twee jongste broers overleden, toen was haar verdriet onpeilbaar.
Genieten
Inmiddels is moeder grootmoeder van vijf kleinkinderen en overgrootmoeder van een jongetje. ‘Dat maak ik toch maar allemaal mee', zegt zij dan. ‘Ik wil wel 100 worden!'
Moeder geniet op het ogenblik van haar huisje in de serviceflat bij mij in de buurt. Zij is erg blij dat ze voldoende inkomen heeft, kijkt dagelijks meerdere malen in haar portemonnee of er genoeg geld in zit. Dat is haar grootste angst: dat zij zonder geld komt te zitten. Dat controleren of zij genoeg geld heeft doet zij ook op straat of in de winkel. Mede daardoor is ze al drie keer van haar portemonnee beroofd. Dan is het een geluk dat haar geheugen haar in de steek laat, want ze weet er niets meer van.
Alzheimer
Moeder praat weinig tot nooit over het feit dat haar geheugen zo achteruit gaat, hoewel dementie duidelijk in de familie voorkomt, en ze het bij drie zussen bewust heeft meegemaakt. Soms zegt zij wel dat zij bang is omdat zij zo snel dingen vergeet, maar als ik er dan voorzichtig op in ga, haakt ze snel af. Het is ook heel moeilijk als je Alzheimer hebt, om je te concentreren in een gesprek en de woorden te vinden die je zoekt om uit te drukken wat je voelt. En helemaal als je zelf van oudsher niet gewend bent om je gevoelens te uiten.
Nog steeds wil zij alles zelf regelen, niet afhankelijk zijn en zich niet laten betuttelen. Het zal haar ontbreken aan ziekte-inzicht, maar haar sterke en zelfstandige karakter en het feit dat zij degene was op wie veel mensen lang hebben geleund maken het extra moeilijk voor haar om tot zich door te laten dringen wat er met haar gebeurt. Om hulp vragen zal zij nooit doen, zij geeft zelf aan dat ze naar een verzorgingshuis zal gaan als ‘het niet meer gaat'. ‘Mijn kinderen wil ik niet tot last zijn', dat vindt ze veel te zwaar voor hen.
Hanneke Ikking